
Bij de eerste afspraak bij de verloskundige krijg je een bloedonderzoek aangeboden. De verloskundige neemt bloed bij je af of vraagt je om bloed te laten prikken bij een prikpost. Het advies is om dit onderzoek zo vroeg mogelijk in de zwangerschap te doen. Het liefst voor 13 weken. Het bloedonderzoek kan ook tegelijk met de NIPT, als je dit onderzoek ook wilt. Hier kan je lezen wat de NIPT inhoudt. Je verloskundige geeft je hier ook informatie over.
Soms blijkt uit de uitslag van het bloedonderzoek dat er meer onderzoek nodig is. Of een behandeling om te voorkomen dat jij of de baby ziek wordt. De verloskundige bespreekt de uitslag met je tijdens de volgende controle. Bloedonderzoek gebeurt alleen als jij dit wilt.
Alle zwangeren krijgen aan het begin van de zwangerschap standaard een bloedonderzoek aangeboden: de PSIE. Dat staat voor Prenatale Screening Infectieziekten en Erytrocytenimmunisatie. Bij de eerste afspraak geeft je verloskundige je hier informatie over en kan je meteen bloed laten prikken. Je hoeft niet voor het onderzoek te betalen, het wordt vergoed vanuit de overheid.
Hier wordt je bloed op onderzocht:
Soms blijkt uit de uitslag dat er meer onderzoek nodig is. Of een behandeling om te voorkomen dat jij of je baby ziek wordt. Daarom wordt het onderzoek al vroeg in de zwangerschap aangeboden: voor 13 weken.
De PSIE valt onder prenatale screening, net als de NIPT, de 13-wekenecho en de 20-wekenecho. Hier kan je meer lezen over prenatale screening. Het is niet verplicht, je kiest zelf of je dit wilt. De PSIE kan ook tegelijk met de NIPT, dat is ook een bloedonderzoek.
Het ijzer- en/of suikergehalte in je bloed kan ook aan het begin van de zwangerschap worden onderzocht, maar dat valt niet onder de PSIE. Mogelijk gaat dit van je eigen risico af. Het bepalen van de ijzerwaarde wordt standaard aangeboden, maar het suikergehalte alleen als hier een medische aanleiding voor is. Je verloskundige kan je hier meer over vertellen. Je kan ook onze artikelen over bloedarmoede (ijzergehalte) en zwangerschapsdiabetes (suikergehalte) lezen.
Bij de eerste controle geeft je verloskundige informatie over het bloedonderzoek (de PSIE). Als je het onderzoek wilt laten doen, kan je verloskundige meteen bloed afnemen. Dit gebeurt met een prik in je arm. Het kan ook zijn dat de verloskundige je vraagt om naar een ziekenhuis of prikpost te gaan. Dan krijg je een formulier mee. Er worden vaak meerdere buisjes bloed afgenomen. Dat is nodig omdat bij de PSIE veel verschillende testen worden gedaan.
Met het bloedonderzoek (PSIE) aan het begin van de zwangerschap wordt gekeken welke bloedgroep en Rhesusfactor je hebt. Ook wordt er gekeken naar bloedgroepantistoffen en bepaalde infectieziekten. Hieronder staat uitgelegd waarom het belangrijk kan zijn om dit tijdens de zwangerschap te onderzoeken.
Iedereen heeft een bloedgroep. Dat is het type bloed dat je hebt. Het heeft te maken met eiwitten en andere stoffen in je bloed. Je bloedgroep erf je van je ouders, net als de kleur van je ogen en je haar. Er zijn wel 200 verschillende bloedgroepenvarianten bekend. De bekendste bloedgroepen zijn: A, B, AB of O. Daarbij heb je ook verschillende Rhesusfactoren. Dat zijn eiwitten op de rode bloedcellen. Die kunnen positief of negatief zijn.
Je bloedgroep is belangrijk om te weten als je een bloedtransfusie nodig hebt. Dat is heel soms zo als je bij de bevalling te veel bloed verliest. Je krijgt dan bloed van iemand met dezelfde bloedgroep.
Daarnaast wordt tijdens de zwangerschap gekeken naar twee Rhesusfactoren: Rhesus D en Rhesus c.
Als je zwanger bent, is er een heel kleine kans dat er rode bloedcellen van de baby in jouw bloedbaan komen. Bij de geboorte is die kans veel groter. Als jij bloedgroep Rhesus D-negatief hebt en je baby Rhesus D-positief, kan je antistoffen gaan maken tegen het bloed van je baby. De antistoffen kunnen via de navelstreng in het bloed van de baby komen en de rode bloedcellen afbreken. Daardoor kan de baby bloedarmoede krijgen. Dat kan ook gebeuren bij een volgende zwangerschap, als die baby ook Rhesus D-positief is. Dat is schadelijk voor de gezondheid van de baby.
Daarom is het belangrijk om te weten of je Rhesus D-positief of Rhesus D-negatief bent. Als je Rhesus D-positief bent, is er geen verder onderzoek nodig. Ben je Rhesus D-negatief, dan krijg je in week 27 een bloedonderzoek om te kijken of je antistoffen maakt tegen Rhesus D. Met jouw bloed kan het laboratorium ook de Rhesus D-factor van je baby bepalen. Dat komt omdat in jouw bloed ook een klein beetje erfelijk materiaal (DNA) van je baby zit.
Heeft je baby bloedgroep Rhesus D-positief? Dan krijg je in week 30 van de zwangerschap een anti-D prik. Deze prik maakt de kans erg klein dat je antistoffen gaat maken waar je baby ziek door kan worden. De prik geeft geen risico's voor je baby en die merkt er niets van. Na de bevalling krijg je nog een anti-D prik.
Wil je meer weten? Op de website van het RIVM staat een folder over bloedgroep Rhesus D-negatief.
Als je Rhesus c-negatief bent, kan je heel soms Rhesus c-antistoffen gaan aanmaken tegen het bloed van de baby. Daardoor kan de baby bloedarmoede krijgen. Daarom krijgen Rhesus c-negatieve zwangeren in week 27 van de zwangerschap een bloedonderzoek, om te zien of zij antistoffen maken. Als dat zo is, krijg je verder onderzoek om de gezondheid van je baby in de gaten te houden. Hierover krijg je meer informatie van je verloskundige. Er bestaat geen prik om te voorkomen dat je antistoffen tegen Rhesus c maakt. Je kan ook deze folder over Rhesus c van het RIVM lezen.
Heel soms heeft een zwangere antistoffen tegen andere bloedgroepen dan die hierboven staan. Dat kan zijn gebeurd tijdens een eerdere zwangerschap of door een bloedtransfusie. Er is een kans dat deze antistoffen via de navelstreng bij het bloed van de baby komen. Dan kunnen ze rode bloedcellen van de baby afbreken. Als deze andere bloedgroepantistoffen in je bloed zijn gevonden, wordt onderzocht welke dit precies zijn. Je verloskundige geeft je hier meer informatie over.
Op de website van het RIVM kan je ook meer informatie over bloedgroepen en antistoffen vinden.
Hepatitis B is een infectie van de lever. Het komt door het hepatitis B-virus. Dit is besmettelijk. Soms hebben mensen geen klachten en weten ze dus niet dat ze besmet zijn. Na de besmetting blijft het hepatitis B-virus soms in het lichaam. Je bent dan drager van het virus en je kan anderen ermee besmetten. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren tijdens seks of als je bloed in contact komt met bloed van iemand anders. Bijvoorbeeld bij een wond.
Als je drager bent, is dat niet schadelijk voor de baby zolang je zwanger bent. Maar tijdens de geboorte kan je baby wel besmet raken met het virus. Om te voorkomen dat die ziek wordt, krijgt je baby kort na de bevalling twee prikken: één met antistoffen (binnen 2 uur) en één met een eerste vaccinatie tegen hepatitis B (binnen 48 uur). Om je baby volledig te beschermen, krijgt die daarna opnieuw vaccinaties via het consultatiebureau: met 6-9 weken en met 3, 4 en 11 maanden oud. Dit gaat via het Rijksvaccinatieprogramma van de overheid.
Blijkt uit het bloedonderzoek dat je hepatitis B hebt, dan is het ook belangrijk om te voorkomen dat anderen in je omgeving besmet raken. Je krijgt hierover voorlichting van de GGD. Op Thuisarts.nl kan je hier meer over lezen.
In dit artikel kan je meer lezen over Hepatitis B en de zwangerschap.
Als uit het bloedonderzoek blijkt dat je hiv-positief bent, ben je drager van het hiv-virus. Hiv staat voor humaan immunodeficiëntievirus. Dit virus maakt je afweersysteem zwakker. Als hiv niet wordt behandeld, kan het leiden tot de ziekte aids. Hiv zit in het bloed, slijm, sperma en vaginavocht van mensen die besmet zijn. Tijdens de zwangerschap, de bevalling of via de borstvoeding kan het hiv-virus op de baby worden overgedragen.
Het daarom heel belangrijk dat zwangeren met hiv tijdens de zwangerschap en de borstvoedingsperiode medicijnen gebruiken die hiv onderdrukken. De kans op besmetting van de baby is dan heel klein. De zwangerschap wordt begeleid door een gynaecoloog die gespecialiseerd is in hiv. Het is ook belangrijk om hiv te behandelen om te voorkomen dat je zelf ziek wordt. In dit artikel kan je meer lezen over hiv en de zwangerschap.
Daarnaast is het belangrijk om te voorkomen dat anderen in je omgeving besmet raken. Dit gebeurt door onbeschermde seks. Kan je iemand hebben besmet, dan is het belangrijk dat die dit weet. De GGD kan hierbij helpen en voorlichting geven. Op Thuisarts.nl kan je hier meer over lezen.
Kijk voor meer informatie over hiv op www.rivm.nl, www.soaaids.nl of www.hivvereniging.nl.
Syfilis is een soa (seksueel overdraagbare aandoening). Het wordt veroorzaakt door een bacterie. Tijdens de zwangerschap kan syfilis op de baby worden overgedragen. Dit kan ernstige problemen veroorzaken.
Om besmetting van de baby te voorkomen, is het belangrijk de ziekte zo vroeg mogelijk in de zwangerschap op te sporen. Dan kan de ziekte worden behandeld. Hoe eerder de behandeling wordt gestart, hoe kleiner de kans op besmetting. Als uit het bloedonderzoek blijkt dat je syfilis hebt, word je verwezen naar een gynaecoloog en krijg je antibiotica. In dit artikel lees je meer over syfilis en de zwangerschap.
Ook is het belangrijk om te voorkomen dat iemand anders besmet. Dit gebeurt via onbeschermde seks. Kan je iemand hebben besmet, dan is het belangrijk dat die dit weet. De GGD kan hierbij helpen en voorlichting geven. Op Thuisarts.nl kan je hier meer over lezen.
kennis, ervaring en expertise van gespecialiseerde verloskundigen.